• Mijnheer van de Berg en de domme dingen

    10 augustus 2018

    Mijnheer van de Berg, een lange man met een regenjas met diepe zakken, uit het mooie plaatsje Bamberdongen, nam bus 21 op een warme zomeravond. Hij was de enige passagier. Aan het stuur zat een oudere dame. Hij zwaaide naast haar aan een stang. ‘Dus u heeft domme dingen gedaan,’zei ze met een hese stem waar het leven doorheen was gegaan. Hij knikte. ‘Hele domme dingen.’  Ze remde voor een overstekend kind. ‘En heeft u daar iets van geleerd?’ Hij lachte. ‘Heel veel. Maar ik weet niet of ik een beter mens ben geworden. Ik ben een slecht mens, een echte boef.’ Hij draaide aan zijn sik. ‘Ik zie dat u het niet gelooft.’ Ze keek even op naar hem. Hij had een rond gezicht, met rode appelwangen en een rode baard. Hij leek eerder op een tuinkabouter dan op een ontsnapte crimineel. En dat zei ze hem ook droog. ‘Ik ben niet ontsnapt,’ lispelde hij. ‘Ik ben ontslagen, na twintig jaar gezeten te hebben.’ Ze stuurde behendig door een krappe bocht. ‘Met mij is ook alles fout gegaan. Ik ben met verkeerde kerels getrouwd geweest. Nu heb ik allenig schulden. Ik rij mijn rondjes op de bus. Ik geniet ervan, dit werk, maar het is ook om rond te komen. Ik heb een berg rekeningen, u wil het niet weten.’ Even zwegen ze allebei. Het leek of ze in de busrit  hun misère konden delen. Halte Noordendijk. Ze remde af. ‘Hier moet u zijn. U gaat geen domme dingen doen ?’ Hij maakte een v- teken met de vingers van zijn rechterhand en spuugde erdoor. ‘Getsie, u kwat,’ ze keek hem spottend aan. ‘Nou, ga gauw mijn bus uit vieze man.’ Ze lachten. Hij zwaaide naar haar en  stapte uit op halte Noordendijk.

    Het was een warme avond, de vogels floten zachtjes. De Noordendijk was omzoomd door hoge bomen, eiken, schilferige platanen en reusachtige treurwilgen. Er hing een geur van kamperfoelie en bijen gingen dansend op weg naar de maaltijd.  Dit had hij al die tijd moeten missen in het staatshotel. Nu was hij een vrij man. En was hij op weg met een schepje en een zakmes. Op een avond namelijk, stak iemand, een onbekende, een kaartje onder een kier van zijn celdeur door. Daarop stond: ‘Eikel, graaf de schat op, dan delen we samsam, ok? Mondje dicht, varken?’ Eerst had hij hartelijk gelachen om de mededeling, maar hij had de kaart wel goed onder zijn matras verstopt. Je kon nooit weten, misschien was het geld van een overval of een kidnap. Ook Hollander, de beruchte Bamberdonger crimineel en zijn vrienden, begroeven een deel  van de bankroof in een bos. Maar waarom zou een iemand, een iemand anders, een onbekende, de opdracht geven het geld alvast op te graven?  Dat was verdacht, maar het zou kunnen dat andere crimbo’s, of de politie op het spoor van de treasure waren. Dus moest hij snel zijn en: voorzichtig.

    Op de kaart was de plek met een kruisje gemarkeerd bij een knullig getekende boom. Vanaf het kruisje liepen stappen naar een zebrapad. Twee passen links, twee passen rechts, daar moest hij graven. Hij stak de schep in de aarde en begon te scheppen. Het ging goed. Al vrij snel stootte hij op een blauwachtig stuk plastic. Hij groef door, enthousiast geworden. ‘Wat zullen die duizendjes heerlijk knisperen,’ hijgde hij. Hij had het vat nu zowat bloot en kon het deksel openwrikken met zijn mes. Hij zag geld, stapels geld, bundeltjes met elastiekjes aan elkaar gebonden. Zijn hart bonkte van vreugde. Het leven had hem niet veel geluk gebracht, maar vandaag, vandaag was de dag!

    Hij hoorde jongens roepen. Hadden ze hem in de gaten? Bij een naastgelegen boom, een stoere eik achter hem, waren drie jongens. Twee stonden bij de dikke stam en wezen naar een andere jongen. Mijnheer van de Berg zag wat ze deden: ze speelden galgje en de derde knaap hing in een lus aan de tak, met het touw om de nek. Mijnheer van de Berg dacht aan verder graven, toen een stem hem toesprak. Hij herkende het als de stem van zijn reeds lang gevlogen vader. ‘Willy,’ zei deze. ‘Willy, dit kun je niet laten gebeuren, zoon. Pak dat mes en red de jongen. Toe dan, waar wacht je op, vind je je geld belangrijker, eikeltje, varken?’ Even had mijnheer van de Berg verbaasd gekeken, toen zag hij de doodsstrijd van de jongen. Met zijn handen zwaaide deze wild om zich heen. Zijn gezicht was paars, een straaltje bloed liep uit zijn neus. Hij vocht om zijn laatste adem.

    In een paar passen was mijnheer van de Berg bij hem, met het mes. Het vlijmscherpe staal liet hij door het touw glijden. Het ging gemakkelijk, de jongen plofte op de grond. De man wierp zijn mobiele telefoon naar een van de jongens en riep: ‘Bel 112!’ De jongen liet de telefoon kletteren. Van de Berg had geen tijd zich daar druk over te maken. Hij hurkte naast de jongen en luisterde naar het hart en de ademhaling. Niks. In het gesticht had hij uit verveling een cursus reanimeren gevolgd. De begeleiders waren daar zeer over te spreken geweest. Eindelijk zien we ook je goede kant Van de Berg, hadden ze gesmiled. Dus hij plaatste zijn kolenschoppen op de borst van de jongen en begon te pompen. Hij blies lucht in de longen, hij pompte. Het leek eeuwen en eeuwen te duren, langer dan zijn detentie. Maar plotseling voelde hij een hartslag onder zijn handen. Een wonder, dat wist hij uit het theorieboekje, het kwam weinig voor dat iemand met reanimatie, iemand naar onze verdorven wereld terughaalde. ‘Hij leeft!’ riep hij. Er stonden inmiddels vele toeschouwers te filmen met hun telefoon, zonder iets te doen. Mijnheer van de Berg hoorde de jongen rochelen. Hij moest spugen. Hij draaide hem op zijn zij. De jongen kotste over zijn schoenen. Toen kwam de ambulance. Het slachtoffer werd in het voertuig geschoven. Van de Berg werd op de schouders geslagen en betimmerd en hij kreeg zoveel loftuitingen als hij nog nooit in zijn leven ontvangen had. Hij werd zelfs week van binnen. Maar snel riep hij dat hij weg moest en hij nam haastig afscheid. Er werden nog tientallen foto’s van hem gemaakt die in duizelingwekkende snelheid over het internet gingen. Maar daarvan had hij geen weet, hij was zolang uit de echte wereld geweest dat hij de digitale ontwikkelingen niet bij had kunnen houden.

    Toen hij zich echt los had gemaakt, zag hij dat er verderop  stevig gevochten werd door verschillende mensen. Instinctief begreep hij dat dit wel moest gaan om het geld. Ze hadden het gevonden! In de kluwen mensen ontwaarde hij twee oude heren, kalend en scheef getrokken, die ieder aan een briefje van duizend trokken. Er waren gestudeerde lui bij, een man en een vrouw, met nette truitjes, die karatetrappen aan elkaar uitdeelden. Hij zag tanden voorbij komen. Een man die hij herkende als politiefunctionaris, duwde een vlezige jongedame van de dijk, in de sloot. Hij zag  ook kledingstukken voorbij komen. Een stuk van een kous, een jasje, een blauwe sjaal, een zwembroek en geld. Er vloog geld door de lucht, heel veel geld. Het was in bundeltjes verpakt. Waarschijnlijk honderd van duizend, schatte hij in. Hij wilde er niets meer mee. Hij was moe van de reanimatie, hij was zo aangeslagen, dat het geld hem even gestolen kon worden. Toch wierp iemand hem krijsend drie bundeltjes naar zijn hoofd. Hij ontweek ze. Ze bleven voor hem liggen. Hij zag nu dat de groep het in de gaten had en dacht dat hij het wilde ontvreemden. ‘Pak hem!’ riep een vrouw met een zeemeermintatoeage op haar voorhoofd. Hij moest weg. Snel raapte hij het op en maakte  zich met het geld uit de voeten. Hij zou hij wel ergens weggooien. Eerst het eigen leven zien te redden. De groep kwam achter hem aan. Hij voelde hun adem in zijn nek, ze zouden hem doden, daar was hij zeker van.

    Hij naderde nu de bushalte. Bus 21 kwam er net aan. Dit moest een wonder zijn. De oude dame zat achter haar grote stuur. ‘Laat me binnen!’ hijgde hij. Hij klom in de bus en weg waren ze. De kudde achtervolgde als een dolle de wagen.  Ze trapten tegen de banden, een jongeman hield zich vast aan de ruitenwissers, maar moest loslaten en verdween onder de bus. Er werd een schoen naar de ramen geworpen, daarna een steen. Een ruit brak. De chauffeuse gaf flink gas, ze gierden door bochten. Toen remde ze. Het was stil om hen heen.

     ‘Domme dingen gedaan?’ vroeg ze streng. Hij schudde zijn hoofd. Ze keek hem lang aan. ‘Weet je dat je een blauw oog hebt, tuinkabouter?’ Hij voelde aan zijn oog, het was dik. Hij moest een klap gehad hebben van iemand, hij kon het zich niet herinneren. ‘Ik heb iemands leven gered,’ zei hij langzaam. ‘Een jongen, hij speelde galgje, maar dan echt, hoe dom kun je zijn?’  Hij merkte dat ze het niet geloofde. ‘Kom even mee naar mijn huis,’ zei ze. ‘Dan doe ik wat op je oog.’

    Even later betrad hij haar woning. Ondanks de schurende pijn in zijn oog, kon hij zien hoe de stand van zaken in het leven van zijn reddende engel was: in de kamer was een wiebelige tafel geplaatst, naast een versleten bankstel. Er stond een oude, kromgebogen schemerlamp. Er was merkwaardig genoeg verder niets  geplaatst en het deed hem denken aan zijn verblijfsruimte van zovele jaren. Op de bank lag een bleke tiener, een meisje, ze was blind. Ze leek hem erg ziek.  Het was hier kommer en kwel, de geur van armoede die je niet verwachtte in het rijke Bamberdongen, waar de economie draaide als een geoliede machine. Het vloerkleed was gerafeld en lang niet gestofzuigd. Er lag zand en stof op de vloer.

    Ze haalde water en ijs en depte met een vieze doek zijn linkeroog. Hij vreesde voor een infectie.

    ‘Morgen zal ik bij de jongen kijken,’zuchtte hij. Ze zaten aan een wiebelige, houten tafel. Hij kreeg thee van haar. ‘Mijn water is sinds vandaag weer aangesloten,’ zei ze. Hij knikte. Haar moed en optimisme troffen hem. Hij voelde zich moe na zijn reddingsactie en na zijn vlucht. Hij schaamde zich diep in deze treurnis. Wat moest hij zeggen? Ik heb veel geld in mijn zak. Wil je het hebben? Het is beter als jij het neemt. Mij zullen ze opzoeken, het afpakken en me alsnog doodslaan. Misschien ook wel zonder dat ik geld heb. Ik sta waarschijnlijk in elke krant.

    Hij had spijt. Zijn opgewektheid over het te veroveren geld was verdwenen. Hij keek naar haar gezicht, het was krachtig. Ferme kaken, een trotse kin. Vroeger moest zij mooi geweest zijn. Iemand waar mannen naar keken. Maar wat te doen? Hij kon het geld niet meer gebruiken, het was zinloos. Zijn lijf voelde elke dag moe en pijnlijk. Het kon niet lang meer duren. Maar zou zij het accepteren als hij het haar schonk? Ze was zo trots. Ze zou kunnen zeggen: ‘Uit mijn huis met die rotzooi!’ Hij legde de bundeltjes onverwacht op tafel. De een na de ander. Hij telde ondertussen. Vijf miljoen euro. Zij zweeg. ‘Voor jou,’zei hij prevelend. ‘Ik heb er niks an.’ Ze zweeg nog steeds. ‘Maar je kunt ze nu nog niet gebruiken. Ik moet ze eerst witwassen.’ Ze zweeg, vouwde haar handen. ‘Ik begin een zaak, op papier.’ Ze legde haar handen op zijn eeltige knuisten. ‘Hou daarover op,’ zei ze. ‘Morgen ga ik met je mee naar de jongen. Dat is belangrijker dan dit.‘ Hij zag door zijn ene oog, haar ogen nu voor het eerst. Helder blauw en zuiver uit het water van een bergbeek. Ze troffen hem diep. Het meisje legde nu ook haar handen op die van hen. Zo zaten ze bij elkaar. Het licht viel uit. Het was aardedonker. Hij dorst zijn handen niet terug te trekken. Een uur zaten ze zo, in het duister. Ze zwegen. Het licht ging aan. Het blinde meisje liet haar vingers over het geld gaan. ‘Ik moet iets verdrietigs zeggen,’ zei ze. ‘Het geld is niet echt. Ik voel de watermerken niet.’ Hij greep ook een paar briefjes. Hield ze tegen het licht. ‘Je hebt gelijk,’ sprak hij. ‘Het is nep en erg slecht gedaan, ik zie het met een oog!’   Zij leunde achterover. ‘Domme, domme dingen breng je mee, lieve man. Toch hou ik van je, sinds vanavond. ‘Ik ook,’giechelde het meisje. ‘Ik ook van jullie,’ lachte mijnheer van de Berg, ex-gedetineerde uit het plaatsje Bamberdongen.  

     

     

     

    Mijnheer van de Berg en de domme dingen

    Mijnheer van de Berg, een lange man met een regenjas met diepe zakken, uit het mooie plaatsje Bamberdongen, nam bus 21 op een warme zomeravond. Hij was de enige passagier. Aan het stuur zat een oudere dame. Hij zwaaide naast haar aan een stang. ‘Dus u heeft domme dingen gedaan,’zei ze met een hese stem waar het leven doorheen was gegaan. Hij knikte. ‘Hele domme dingen.’  Ze remde voor een overstekend kind. ‘En heeft u daar iets van geleerd?’ Hij lachte. ‘Heel veel. Maar ik weet niet of ik een beter mens ben geworden. Ik ben een slecht mens, een echte boef.’ Hij draaide aan zijn sik. ‘Ik zie dat u het niet gelooft.’ Ze keek even op naar hem. Hij had een rond gezicht, met rode appelwangen en een rode baard. Hij leek eerder op een tuinkabouter dan op een ontsnapte crimineel. En dat zei ze hem ook droog. ‘Ik ben niet ontsnapt,’ lispelde hij. ‘Ik ben ontslagen, na twintig jaar gezeten te hebben.’ Ze stuurde behendig door een krappe bocht. ‘Met mij is ook alles fout gegaan. Ik ben met verkeerde kerels getrouwd geweest. Nu heb ik allenig schulden. Ik rij mijn rondjes op de bus. Ik geniet ervan, dit werk, maar het is ook om rond te komen. Ik heb een berg rekeningen, u wil het niet weten.’ Even zwegen ze allebei. Het leek of ze in de busrit  hun misère konden delen. Halte Noordendijk. Ze remde af. ‘Hier moet u zijn. U gaat geen domme dingen doen ?’ Hij maakte een v- teken met de vingers van zijn rechterhand en spuugde erdoor. ‘Getsie, u kwat,’ ze keek hem spottend aan. ‘Nou, ga gauw mijn bus uit vieze man.’ Ze lachten. Hij zwaaide naar haar en  stapte uit op halte Noordendijk.

    Het was een warme avond, de vogels floten zachtjes. De Noordendijk was omzoomd door hoge bomen, eiken, schilferige platanen en reusachtige treurwilgen. Er hing een geur van kamperfoelie en bijen gingen dansend op weg naar de maaltijd.  Dit had hij al die tijd moeten missen in het staatshotel. Nu was hij een vrij man. En was hij op weg met een schepje en een zakmes. Op een avond namelijk, stak iemand, een onbekende, een kaartje onder een kier van zijn celdeur door. Daarop stond: ‘Eikel, graaf de schat op, dan delen we samsam, ok? Mondje dicht, varken?’ Eerst had hij hartelijk gelachen om de mededeling, maar hij had de kaart wel goed onder zijn matras verstopt. Je kon nooit weten, misschien was het geld van een overval of een kidnap. Ook Hollander, de beruchte Bamberdonger crimineel en zijn vrienden, begroeven een deel  van de bankroof in een bos. Maar waarom zou een iemand, een iemand anders, een onbekende, de opdracht geven het geld alvast op te graven?  Dat was verdacht, maar het zou kunnen dat andere crimbo’s, of de politie op het spoor van de treasure waren. Dus moest hij snel zijn en: voorzichtig.

    Op de kaart was de plek met een kruisje gemarkeerd bij een knullig getekende boom. Vanaf het kruisje liepen stappen naar een zebrapad. Twee passen links, twee passen rechts, daar moest hij graven. Hij stak de schep in de aarde en begon te scheppen. Het ging goed. Al vrij snel stootte hij op een blauwachtig stuk plastic. Hij groef door, enthousiast geworden. ‘Wat zullen die duizendjes heerlijk knisperen,’ hijgde hij. Hij had het vat nu zowat bloot en kon het deksel openwrikken met zijn mes. Hij zag geld, stapels geld, bundeltjes met elastiekjes aan elkaar gebonden. Zijn hart bonkte van vreugde. Het leven had hem niet veel geluk gebracht, maar vandaag, vandaag was de dag!

    Hij hoorde jongens roepen. Hadden ze hem in de gaten? Bij een naastgelegen boom, een stoere eik achter hem, waren drie jongens. Twee stonden bij de dikke stam en wezen naar een andere jongen. Mijnheer van de Berg zag wat ze deden: ze speelden galgje en de derde knaap hing in een lus aan de tak, met het touw om de nek. Mijnheer van de Berg dacht aan verder graven, toen een stem hem toesprak. Hij herkende het als de stem van zijn reeds lang gevlogen vader. ‘Willy,’ zei deze. ‘Willy, dit kun je niet laten gebeuren, zoon. Pak dat mes en red de jongen. Toe dan, waar wacht je op, vind je je geld belangrijker, eikeltje, varken?’ Even had mijnheer van de Berg verbaasd gekeken, toen zag hij de doodsstrijd van de jongen. Met zijn handen zwaaide deze wild om zich heen. Zijn gezicht was paars, een straaltje bloed liep uit zijn neus. Hij vocht om zijn laatste adem.

    In een paar passen was mijnheer van de Berg bij hem, met het mes. Het vlijmscherpe staal liet hij door het touw glijden. Het ging gemakkelijk, de jongen plofte op de grond. De man wierp zijn mobiele telefoon naar een van de jongens en riep: ‘Bel 112!’ De jongen liet de telefoon kletteren. Van de Berg had geen tijd zich daar druk over te maken. Hij hurkte naast de jongen en luisterde naar het hart en de ademhaling. Niks. In het gesticht had hij uit verveling een cursus reanimeren gevolgd. De begeleiders waren daar zeer over te spreken geweest. Eindelijk zien we ook je goede kant Van de Berg, hadden ze gesmiled. Dus hij plaatste zijn kolenschoppen op de borst van de jongen en begon te pompen. Hij blies lucht in de longen, hij pompte. Het leek eeuwen en eeuwen te duren, langer dan zijn detentie. Maar plotseling voelde hij een hartslag onder zijn handen. Een wonder, dat wist hij uit het theorieboekje, het kwam weinig voor dat iemand met reanimatie, iemand naar onze verdorven wereld terughaalde. ‘Hij leeft!’ riep hij. Er stonden inmiddels vele toeschouwers te filmen met hun telefoon, zonder iets te doen. Mijnheer van de Berg hoorde de jongen rochelen. Hij moest spugen. Hij draaide hem om zijn zij. De jongen kotste over zijn schoenen. Toen kwam de ambulance. Het slachtoffer werd in het voertuig geschoven. Van de Berg werd op de schouders geslagen en betimmerd en hij kreeg zoveel loftuitingen als hij nog nooit in zijn leven ontvangen had. Hij werd zelfs week van binnen. Maar snel riep hij dat hij weg moest en hij nam haastig afscheid. Er werden nog tientallen foto’s van hem gemaakt die in duizelingwekkende snelheid over het internet gingen. Maar daarvan had hij geen weet, hij was zolang uit de echte wereld geweest dat hij de digitale ontwikkelingen niet bij had kunnen houden.

    Toen hij zich echt los had gemaakt, zag hij dat er verderop  stevig gevochten werd door verschillende mensen. Instinctief begreep hij dat dit wel moest gaan om het geld. Ze hadden het gevonden! In de kluwen mensen ontwaarde hij twee oude heren, kalend en scheef getrokken, die ieder aan een briefje van duizend trokken. Er waren gestudeerde lui bij, een man en een vrouw, met nette truitjes, die karatetrappen aan elkaar uitdeelden. Hij zag tanden voorbij komen. Een man die hij herkende als politiefunctionaris, duwde een vlezige jongedame van de dijk, in de sloot. Hij zag  ook kledingstukken voorbij komen. Een stuk van een kous, een jasje, een blauwe sjaal, een zwembroek en geld. Er vloog geld door de lucht, heel veel geld. Het was in bundeltjes verpakt. Waarschijnlijk honderd van duizend, schatte hij in. Hij wilde er niets meer mee. Hij was moe van de reanimatie, hij was zo aangeslagen, dat het geld hem even gestolen kon worden. Toch wierp iemand hem krijsend drie bundeltjes naar zijn hoofd. Hij ontweek ze. Ze bleven voor hem liggen. Hij zag nu dat de groep het in de gaten had en dacht dat hij het wilde ontvreemden. ‘Pak hem!’ riep een vrouw met een zeemeermintatoeage op haar voorhoofd. Hij moest weg. Snel raapte hij het op en maakte  zich met het geld uit de voeten. Hij zou hij wel ergens weggooien. Eerst het eigen leven zien te redden. De groep kwam achter hem aan. Hij voelde hun adem in zijn nek, ze zouden hem doden, daar was hij zeker van.

    Hij naderde nu de bushalte. Bus 21 kwam er net aan. Dit moest een wonder zijn. De oude dame zat achter haar grote stuur. ‘Laat me binnen!’ hijgde hij. Hij klom in de bus en weg waren ze. De kudde achtervolgde als een dolle de wagen.  Ze trapten tegen de banden, een jongeman hield zich vast aan de ruitenwissers, maar moest loslaten en verdween onder de bus. Er werd een schoen naar de ramen geworpen, daarna een steen. Een ruit brak. De chauffeuse gaf flink gas, ze gierden door bochten. Toen remde ze. Het was stil om hen heen.

     ‘Domme dingen gedaan?’ vroeg ze streng. Hij schudde zijn hoofd. Ze keek hem lang aan. ‘Weet je dat je een blauw oog hebt, tuinkabouter?’ Hij voelde aan zijn oog, het was dik. Hij moest een klap gehad hebben van iemand, hij kon het zich niet herinneren. ‘Ik heb iemands leven gered,’ zei hij langzaam. ‘Een jongen, hij speelde galgje, maar dan echt, hoe dom kun je zijn?’  Hij merkte dat ze het niet geloofde. ‘Kom even mee naar mijn huis,’ zei ze. ‘Dan doe ik wat op je oog.’

    Even later betrad hij haar woning. Ondanks de schurende pijn in zijn oog, kon hij zien hoe de stand van zaken in het leven van zijn reddende engel was: in de kamer was een wiebelige tafel geplaatst, naast een versleten bankstel. Er stond een oude, kromgebogen schemerlamp. Er was merkwaardig genoeg verder niets  geplaatst en het deed hem denken aan zijn verblijfsruimte van zovele jaren. Op de bank lag een bleke tiener, een meisje, ze was blind. Ze leek hem erg ziek.  Het was hier kommer en kwel, de geur van armoede die je niet verwachtte in het rijke Bamberdongen, waar de economie draaide als een geoliede machine. Het vloerkleed was gerafeld en lang niet gestofzuigd. Er lag zand en stof op de vloer.

    Ze haalde water en ijs en depte met een vieze doek zijn linkeroog. Hij vreesde voor een infectie.

    ‘Morgen zal ik bij de jongen kijken,’zuchtte hij. Ze zaten aan een wiebelige, houten tafel. Hij kreeg thee van haar. ‘Mijn water is sinds vandaag weer aangesloten,’ zei ze. Hij knikte. Haar moed en optimisme troffen hem. Hij voelde zich moe na zijn reddingsactie en na zijn vlucht. Hij schaamde zich diep in deze treurnis. Wat moest hij zeggen? Ik heb veel geld in mijn zak. Wil je het hebben? Het is beter als jij het neemt. Mij zullen ze opzoeken, het afpakken en me alsnog doodslaan. Misschien ook wel zonder dat ik geld heb. Ik sta waarschijnlijk in elke krant.

    Hij had spijt. Zijn opgewektheid over het te veroveren geld was verdwenen. Hij keek naar haar gezicht, het was krachtig. Ferme kaken, een trotse kin. Vroeger moest zij mooi geweest zijn. Iemand waar mannen naar keken. Maar wat te doen? Hij kon het geld niet meer gebruiken, het was zinloos. Zijn lijf voelde elke dag moe en pijnlijk. Het kon niet lang meer duren. Maar zou zij het accepteren als hij het haar schonk? Ze was zo trots. Ze zou kunnen zeggen: ‘Uit mijn huis met die rotzooi!’ Hij legde de bundeltjes onverwacht op tafel. De een na de ander. Hij telde ondertussen. Vijf miljoen euro. Zij zweeg. ‘Voor jou,’zei hij prevelend. ‘Ik heb er niks an.’ Ze zweeg nog steeds. ‘Maar je kunt ze nu nog niet gebruiken. Ik moet ze eerst witwassen.’ Ze zweeg, vouwde haar handen. ‘Ik begin een zaak, op papier.’ Ze legde haar handen op zijn eeltige knuisten. ‘Hou daarover op,’ zei ze. ‘Morgen ga ik met je mee naar de jongen. Dat is belangrijker dan dit.‘ Hij zag door zijn ene oog, haar ogen nu voor het eerst. Helder blauw en zuiver uit het water van een bergbeek. Ze troffen hem diep. Het meisje legde nu ook haar handen op die van hen. Zo zaten ze bij elkaar. Het licht viel uit. Het was aardedonker. Hij dorst zijn handen niet terug te trekken. Een uur zaten ze zo, in het duister. Ze zwegen. Het licht ging aan. Het blinde meisje liet haar vingers over het geld gaan. ‘Ik moet iets verdrietigs zeggen,’ zei ze. ‘Het geld is niet echt. Ik voel de watermerken niet.’ Hij greep ook een paar briefjes. Hield ze tegen het licht. ‘Je hebt gelijk,’ sprak hij. ‘Het is nep en erg slecht gedaan, ik zie het met een oog!’   Zij leunde achterover. ‘Domme, domme dingen breng je mee, lieve man. Toch hou ik van je, sinds vanavond. ‘Ik ook,’giechelde het meisje. ‘Ik ook van jullie,’ lachte mijnheer van de Berg, ex-gedetineerde uit het plaatsje Bamberdongen.  

     

     

     

                              

     

     

           

                              

     

     

           

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 2 keer bekeken

  • Denk je dat ik dichten kan?

    6 mei 2018

    Gedichten experience

     

    Ik  dacht: ik kan ook wel een gedicht schrijven. Miljoenen mensen schrijven gedichten over hun belevenissen. Ik heb gezegd: bij mij komt er geen gedicht meer. Maar vandaag dacht ik: Niet zeuren, schrijf een gedicht. Zet een breekijzer op het papier. En het resultaat? Ach, het werd wat, hoe zal ik het zeggen, humoristisch, absurd. Mijn ziel vloog op als een vlinder. Er was bij het schrijven geen zware gedachte aan te boren. Nu weet ik nog steeds niet of ik wel dichten kan. Rijmen ja, maar dichten?    

     

    Denk je dat ik dichten kan?

    Een, twee, drie,

    kus op je knie,

    vier, vijf, zes,

    denk je dat ik dichten kan?

    ik kan dichten

    als een gorillaman.

    Zeven, acht, worst,

    trommel op je borst,

    denk je dat ik dichten kan?

    ik kan dichten

    als een gorillaman.

    ****

     

    Kwekje

    Kwekje,

    er staat geen zout

    in mijn keukenrekje.

    ****

     

    Gepruts

    Ik pruts maar aan met regels,

    soms lijkt het goed te gaan

    maar als het doucheschuim op de tegels

    veeg ik het weg

    en begin van voor af aan.

    ***

     

    Eitje tik

    Op 1 mei

    kook ik een ei

    op 2 mei

    neem ik jou erbij

    op 3 mei

    neem ik vrij

    en leg mijn ei

    nog warm

    op de prei.

     

    ***

    Kandidaat-notaris

    Een kandidaat-notaris

    is een notaris

    die nog lang niet  klaar is.

     

     

     

    Eksjion trilt na

    Eksjion is hier gekomen

    de winkel van je dromen

    je kunt er ook je partner kopen

    een plastic robot, twee euro vijftig,

    die al snel niet meer wil lopen.                                                          

    Het enige onderdeel dat dan nog werkt

    zijn die billen

    die voorzien van rode lampen

    nog een dagje blijven trillen. 

     

    ***

     

     

     

     

     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 26 keer bekeken

  • www.sjoerdberk.blogspot.com

    31 januari 2018

    Neem eens een kijkje op mijn blogpagina: www.sjoerdberk.blogspot.com

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 54 keer bekeken

  • Ik was het niet

    31 januari 2018

     

     

    Ik weet zeker dat het niet mijn poepje was. Ik hoorde hem wel, een geluid als van een fluitketel die uit werd gezet. Een zacht pieven, maar it wasn’t me. Achter me zag ik een oudere heer met een rode snor wegduiken en links van me keek een jongedame of ze een bad in ijsklontjes nam. Toch keek de bibliothecaresse mij aan, lang en strak zoals een kat loert naar zijn muis. Nog even en zij zou ontsteken in woede over de ontheiliging van haar boekenbestand. Het ontsnapte methaan zou de letters uit de dode boomcellen vreten. Zij riep met trillende stem: ‘Ah! Weer zo’n viespeuk! Waarom doen mannen dit niet gewoon op de WC, maar altijd hier? Nomme de patat, zo verschrikkelijk en beestachtig, ja, dat is het, u bent een wild beest en u hoort in een dierentuin, aan een ketting!’  Zij raasde verder en het leek of zij deel uitmaakte van een geheim verbond tegen vliegende flaters. In top secret vervaardigde zij pamfletten tegen slappe anussen en plakte deze in de nacht op deuren van buurmannen en buurjongens. ‘Ik heb het niet gedaan,’ stamelde ik als een terdoodveroordeelde Noordkoreaanse politiechef. En nadat ik dit had uitgesproken voelde ik iets opstijgen uit mijn achterkant. Een warme gasbel, een toonloze klinker, maar wel een brute stinker. In een paar seconden zou hij bij haar neusslijmvliezen zijn. Ik maakte dat ik weg kwam en rende langs haar heen. Toen ik buiten stond hoorde ik een ijselijke kreet uit het boekenwalhalla komen. En tegelijk rinkelde het alarm: ik had de boeken niet in de computer opgenomen. Voorlopig maar online lenen, via de e-reader. En u denkt dat ik dit allemaal verzonnen heb?       

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 59 keer bekeken

  • Egeltje

    17 januari 2018

     

    De egel zat bovenop het schoteltje met egelvoer. Ik keek uit het raam en was heel dichtbij het smakkende beest. Ik maakte een reis achteruit in de tijd. Het was een koude avond in september. Vlak voor mijn fietsband stak een beestje over. Het meisje dat naast me fietste riep: ‘Stop! Een egel!’ Ik wilde nog roepen dat zulke dieren op herfstige avonden op stap gaan om zich een boulimie te eten, maar ik hield mijn lippen op elkaar. Zij was al afgestapt en pakte het dier. “Wat is hij mooi,’ zei ze en ik keek bezorgd naar de opgerichte stekeltjes. Hij vond het niet zo leuk. ‘Ja,’ zei ik zacht,  ‘hij is prachtig.’ ‘Neem jij mijn fiets,’ fluisterde ze,  ‘dan brengen we hem naar mijn huis.’ In de keuken stond de gehele familie over het schepsel gebogen. Het  knorde: ‘Ik ben niet ziek, ik moet aan het werk, laat me gaan.’  De vader van het gezin merkte iets op over de relatie tussen autobanden en egels, maar de moeder was concreter: ‘Zet hem maar in de schuur,’ wees ze. Het onfortuinlijke scharrelwezen werd in een schoenendoos gedaan en ik nam afscheid. Bij de achterdeur stond mijn vader te wachten. Hij zei niets, wees op zijn horloge. Ik wist het: het was vreselijk laat. Zijn gezicht stond op een uitdiepende stormdepressie. ‘Sorry,’ zuchtte ik, ‘ik moest helpen een egel te redden. Het zal niet meer gebeuren.’  “Egels redden zichzelf prima,’ zei mijn oude heer. Toen ik vertelde over het meisje, een groot dierenliefhebber en haar familie, leek hij iets in te binden. Ik maakte het verhaal groter en verzon dat de egel in het water had gedrevenen zwemles had gekregen.

    Vanaf die dag vroeg mijn pa regelmatig naar het egeltje en ik maakte uit zijn toon op dat hij mijn egelverhaal maar voor een deel geloofde.

    De volgende dag na de reddingsactie sprak ik het meisje op onze school. Ze zei: ‘De egel heeft een zooitje gemaakt in onze schuur. Hij heeft de doos en het dekentje aan flinters gescheurd en een paar fietsbanden doorgeknaagd.’

    Ik zou het ook gedaan hebben, dacht ik. Maar ik zei het niet. ‘We hebben hem vanmorgen vrijgelaten,’ ging ze verder. Ik lachte. Ik was blij voor de freedom van de egel en ik vertelde haar nooit hoe mijn vader haar had genoemd. Ik vond het ook niet kloppen;  ze was een zacht meisje dat van schapenwol haar eigen truien breide en haar stekels nooit opzette.  

     

     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 65 keer bekeken

  • De man met het kusje

    30 november 2017

     

    De man heeft een glanzend kusje op de rechterwang. Hij staat naast me in de Alkmaarse bibliotheek en werpt de boeken in de automaat. Hij weet ongetwijfeld niet dat hij met dat kusje als een stoombootwimpel rondloopt. Een rozerode kus, een afdruk van grote, gulzige lippen. Maar moet ik dit zeggen tegen deze onbekende man?

    En hoe zeg ik dat dan? Want  stel: deze print is van een geheime liefde en hij gaat hier straks onwetend mee terug naar zijn Truusje. Ik moet hem waarschuwen voor het naderende onheil. Voorzichtig loop ik naar de kerel, die breed en kaal is en maak een gebaar naar mijn eigen wang. Hij snapt het niet, haalt zijn schouders op en loopt door de draaideur naar buiten. Ik zie hoe hij op de stoep wordt belaagd door een heks in een groen mantelpakje. Met haar handtasje slaat ze hem op zijn glimmende knikker en hij valt achterover. Maar net als hij daar ligt komt er een meisje aangerend. Ze heeft rozerode lipjes en ze zwaait naar de vrouw met haar armpjes. Ze laat iets zien, het is een lipstick. De vrouw stopt met slaan en scheldt nog een keer. Ik help de man overeind.  Het meisje, de dochter, valt huilend in mijn armen en kust me. De schrijver heeft nu ook een glanzend kusje op de rechterwang. Hoe kom ik nu thuis?  

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 79 keer bekeken

  • 27 april

    5 mei 2017

    Ik ben uit mijn schijfwinterslaap gekomen. De lente is daar, de zon schijnt en  vandaag is het de verjaardag van onze koning Willem Alexander: 27 april 2017.  Hij is 50 geworden. We lopen over een markt die is voorzien met bijeengeraapte spulletjes van de Nederlandse zolder. Speelgoed, kleding, uit de mode geraakte apparaten, keurig uitgestald en aangeprezen met een gulle lach. Zelfs een priester van de lokale kerk heeft vandaag een oranje hoed op. Ik herken hem in de menigte. Hij zwaait. Aan de straatkant staat in de kou een meisje beverig te fluiten op een fluit. Ze spaart voor een grotere fluit, dus we geven een muntje. Ik hoop dat ze dan wel nog wat gaat oefenen op dit kleine instrument, want haar techniek behoeft nog wat aandacht. Het kan ook de kou zijn die haar vingers verkrampt. Ik hoop haar volgend jaar weer te zien. Voor een paar centen koop ik een vergeeld boekje over het beleg van Haarlem door de Spanjaarden. Het is een woeste geschiedenis waarin bijzonder veel koppen rollen. Een mysterieuze vrouw die Kenau heette, zou een belangrijke rol in de strijd gespeeld hebben, maar dat is meer fantasie dan werkelijkheid. Want we houden dan wel van heel gewoon zijn en ieder jaar hetzelfde stuk op de markt te herhalen, we houden ook van mythes en verhalen en maken die liefst veel groter. Opvallend is dat Willem Alex op geen enkele manier probeert groter dan zijn landgenoten te zijn. Een koning zonder mythes en zonder geheimen. Zonder heldendaden. Hoewel, hij heeft een keer de Elfstedentocht gereden.

    Maar misschien is op de markt gaan staan met een fluitje ook wel een dappere daad.

     

     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 138 keer bekeken

  • Gaten

    20 november 2016

    De vrouw in het zalmroze mantelpakje kijkt me aan terwijl achter haar schouder de trein komt aanglijden. Ze ziet er bont uit, want  haar hoedje is oranje  en haar puntschoenen met hakje, rood met blauwe stippen. Ze klaagt, met een vinger in de lucht: ‘Mijnheer het is toch wat met de jeugd van tegenwoordig.’  Ik knik niet enthousiast om deze vijf eeuwen oude  open deur en wil eigenlijk weg, maar waarheen? Dus ik knik nogmaals en beschouw haar waterig blauwe ogen en ik zie nu ook dat ze iets te breed is voor haar lengte. ‘En raad u eens hoe oud ik ben? Ik ben al 85, met kunstheupen mijnheer, dat had u  niet gedacht, waar?’ Ze maakt twee, drie kleine danspasjes en draait met haar geplastificeerde onderdelen.  ‘Ik ga naar  het Amsterdam Dance Event.’  

     

    Het antwoord op haar vraag blijft ergens steken omdat een vraag zich opdringt omtrent het feit of ik haar nu moet bewonderen dat ze er jong uitziet of dat het een wonder is dat ze nu pas kunstheupen heeft en daarmee een nacht gaat doorstampen. Ik weet het niet met deze dame. Zo meteen gaat ze me nog magic mushrooms aanbieden.

     

    De trein komt sissend dichterbij. Onder de wielen de herfstblaadjes geplakt om het remmen onmogelijk te maken. ‘O ja, de jeugd van tegenwoordig,’ galmt ze, ‘wat denkt u? Mijn achterkleindochter Josefien kwam deze week thuis met een  nieuwe broek. Een spijkerbroek. Een jeans mijnheer. Ze hing het vale ding over een stoel en zei: ‘Oma, ik ga nu 

     

    sporten hoor, ik laat mijn broek hier even hangen? Past u er goed op?’  En weg was ze alweer. Ik werd nieuwsgierig naar die broek. Eens kijken. Er zat geen kleur aan, maar dat hoort zo, hebben ze me verteld. Alsof hij tien jaar oud is, dat is het mooiste. Als dat zo is, waarom koop je hem dan niet op een tweedehandsmarkt? Want kijk deze mooie pumps – ze stak ereen in de lucht-  die hebben al heel wat kilometers gemaakt. Maar bien, ik zag die broek, en wat zag ik, hij zat vol gaten. Nou, dat ging me aan het hart. Ik dacht: o gut, dat kind  is gevallen natuurlijk met skeeleren en dit is gewoon een hint van oma, wil je dat voor me maken?’ 

     

    Zelf moest ik ineens denken aan die keer dat ik bij een vriendje achterop een fiets zat en ervan af viel. Mijn broek kapot, maar nog erger: mijn knie kapot. En toen mijn moeder die alleen over die broek begon terwijl ik riep: hallo mama, ik bloed dood en jij praat alleen maar over die broek.

     

    ‘Luistert  u nog wel?’  de dame tikte tegen mijn schouder. ‘Ja, ja,’ zei ik, ‘u dacht, kom laat ik die broek eens maken.’

    ‘Inderdaad, ik dacht, dacht ik, laat ik die broek eens maken, ik ben naaister geweest, dus hup, hup, alle gaten gedicht en keurig hoor, niks meer van te zien.’

     

    Ik hoorde de overwegbellen rinkelen. ‘Maar toen kwam Josefien thuis en die zag die broek en die werd hartstikke kwaad, ze begon te vloeken en te tieren en ze riep: ‘Oma, waar is mijn broek, heb je mijn broek weggedaan, waar is mijn nieuwe broek, dit is vast een ouwe broek, wat heb je gedaan, ben je nou helemaal gek geworden? Nou, ze brieste en schreeuwde alsof ze naakt over straat moest.’

     

    “Wat een raar verhaal,’ zei ik,’ maar heeft u het wel uit kunnen leggen?’  “Nee mijnheer, ik begreep er niks van, hoe kan ik nou weten dat het mode is om een nieuwe broek te kopen met gaten erin . Dan heb je een gaatje in je hoofd volgens mij.’ 

    ‘ Zou kunnen,’ zeg ik, ‘maar mode is altijd wel wat gek toch?’

    ‘Ja, ik moet instappen,’ zegt ze, ‘en die sokken die u aanheeft mijnheer, dat bruin dat past echt niet bij uw blauwe broek, zal u daar effe naar kijken? Dag mijnheer’. 

    De deuren sluiten en ik zie haar een verhaal afsteken tegen een boomlange conducteur. Het gaat over zijn broek. Ze wijst erop. De pantalon is te kort, hij heeft hoogwater. 

     

    Een meisje van een jaar of zestien komt aanrennen en beukt op de deurknoppen. Helaas, ze komt de trein niet meer in. Ik zie  dat ze gaten en scheuren in haar broek heeft. Ik herken het verschijnsel nu pas, dat wil zeggen dat ik of geen gevoel voor mode heb of dat ook ik  85 jaar ben en naar een dance-event moet gaan. 

     

    Let’s dance, put on your red shoes and dance  ..            

     

     

               

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 203 keer bekeken

  • Lang zal hij leven

    28 oktober 2016

    In de trein heerst meestal een ernstige stemming alsof je naar een uitvaart gaat. Dat komt omdat de mensen met het openbaar vervoer naar hun werk gaan wat kennelijk een diepe, onpeilbare droefheid en ongelukkigheid bij ze oproept, zodat ik me afvraag wie er nog gelukkig is met zijn arbeid.

    Een enkele keer breekt een ramp onderweg het ijs tussen de reizigers. Ik heb vijf jaar geleden veel feestvreugde beleefd in een rijtuig dat niet mocht vertrekken omdat er honderdzesentachtig centimeter sneeuw op de rails lag. Dat gaf dolle pret, het was zo overvol dat we bij onbekenden op schoot moesten zitten en de laatste keer dat dat gebeurde was bij de juf op de kleuterschool.  

     Maar meestal kijken we elkaar beschaamd aan en turen treurig in onze telefoon op zoek naar berichten die ons op kunnen monteren. 

    Deze ochtend zit ik in de trein te treinzwijgen als een mevrouw van middelbare leeftijd op krukken binnenkomt. Zij, hun oma, heeft twee kleinkinderen bij haar, een jongetje en een meisje. Het jongetje heeft een hoed op met de tekst: Hoera 7 jaar!  Hij heeft donkere krullen en gitzwarte ogen die niet lachen. Hij gaat niet zitten, maar begint alle treinreizigers een handje te geven. Ik feliciteer hem, verheugd dat de grijze rit wordt opgevrolijkt en vraag hem hoe hij heet. ‘Ik heet Guliano,’ zegt hij als een volwassene met een vrome ernst. ‘Zullen we voor je zingen?’ vraagt mijn vrouw voorzichtig. Het jongetje knikt, maar lachen doet hij nog steeds niet. De treinreizigers om ons heen beginnen te zingen. ‘Lang zal hij leven, lang zal Guliano leven in de gloria..’  Guliano trekt zich terug in zijn kleurboek. 

    Wij zijn in een goede stemming door het zingen en spreken met de andere reizigers zoals we alleen  bij een zojuist omschreven crisis met elkaar zouden spreken. Zoals toen die keer toen het zo stormde, weet je nog, alle draadjes boven de trein werden weggeblazen en daar stonden we dan. ‘En geef ons dagelijks onze stoom, in plaats van stroom,’ grapte een reiziger. Ik weet het nog heel precies.  Het was een ramp, maar wat hebben we gelachen. 

    De trein stopt. Oma begint een liedje over een blauwe kat te zingen. De deur zwaait open en een Duitse vrouw rommelt binnen zoals reizigers vaak binnenfrutselen. Haar in de war, een tas teveel, een telefoon die niet in de linker - maar in de rechterjaszak zit en het ritueel van het opbergen van de OV- kaart. Zo’n ding is uitgevonden om kwijt te raken. Guliano legt zijn potlood neer en loopt op de vrouw af. Hij steekt zijn hand uit en zegt niets. De vrouw begrijpt het niet, wat staat er op de hoed? Voor ze het kan begrijpen omhelst het jongetje de vrouw. ’Gott, wie süss,’ snikt ze. ‘Er hat Geburtstag,’ zeg ik haar. En weer wordt er voor hem gezongen. Ook in het Duits.  Guliano gaat weer onverstoorbaar zitten en  oma zingt uit volle borst verder over de blauwe kat.  Dan brengt de trein ons op het eindstation van onze olijke trip. Maar vlak voor we uitstappen zegt oma nog even tussen neus en lippen door dat het jongetje autistisch is, alsof ze zich wil verontschuldigen en het gedrag toch afkeurenswaardig vond, maar dat was  het in mijn ogen  niet. Ik begrijp niet waarom een grootmoeder een etiket op haar kleinkind wil plakken en waarom wij, in opperste stemming gebracht, moeten weten dat dit bijzondere joch een zekere mentale beperking heeft. De jongen is een leuke jongen, op zijn manier.  Hij weet mensen bij elkaar te brengen, zonder al te veel woorden. Zou hij over de wereld reizen dan zou hij misschien in staat zijn oorlogen te beëindigen en de eindeloze verdeeldheid op deze planeet te stoppen. En daarna zouden alle somberende volwassenen fluitend, lachend en zingend naar hun werk gaan. Met de trein. Zal ik nog een keer voor je zingen Guliano? Lang zal je leven, kereltje! 

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 214 keer bekeken

  • Terschelling

    21 oktober 2016

    Dit verhaal is een oud volks verhaal dat ik zelf heb ingevuld met mijn eigen fantasie en daarom sterk kan afwijken van de manier waarop het op het eiland wordt verteld. En de foto hierbij, daarop ben ik die kleine man, met mijn Terschellinger opa Cornelis Cupido (1916-1972), genomen in IJmuiden, 1967.

    Kleine Sip Cupido hield de viool onder zijn arm. Hij was bang dat het instrument kapot zou vriezen in de ijzige kou. Het was een verschrikkelijk koude nacht, met een snijdende noordoostenwind. Voor hem lag het bevroren meer van de Doodemanskisten op West. De gemakkelijkste weg naar huis was recht over het ijs van dat meertje. Zijn vriend Grote Sjoerd liep voorop. De maan scheen volop in de donkere nacht en toverde licht op het blauwzwarte oppervlak. Dat hielp hen de weg te vinden over het verlaten eiland. Het water bevroor in hun baarden en maakte daaraan lange, zilveren staven en onder hun schoenen kraakten sneeuw en ijs, maar verder was het stil als op een poolvlakte. Kleine Sip had de verdiende centen in de zak van zijn jas gestopt. Vijf gulden maar liefst, een geweldige oogst voor het zingen en spelen van liedjes. Maar hij was het waard, hij was de muzikant van Terschelling. Geen bruiloft of jubileum op Sip was erbij met zijn viool. Dan moest zijn broer, Lange Sip, alleen voor hun vijf schapen zorgen. Vijf schapen hadden ze nog maar sinds de andere vijf ziek werden en stierven. Hij was blij dat hij zo’n muzikaal talent had gekregen van de Lieve Heer. Hij had zichzelf het spelen geleerd tijdens de lange winteravonden. Op zeker moment waren de optredens gekomen. Altijd ging zijn vriend Grote Sjoerd mee, want Sjoerd ging na de liedjes met de pet en dat deed hij heel goed. Sjoerd was charmant, hij had een vlotte babbel, veel vlotter dan Sip die alleen sprak via zijn instrument. Samen waren Kleine Sip en Grote Sjoerd een prachtig stel. Op deze bitterkoude decemberavond in het jaar 1825 hadden zij gespeeld op de trouwerij van Jan en Swaan. Alles leek goed te gaan, de pet werd goed gevuld, ze kregen een gratis slok en verlieten herberg het Zilte Schuim in een opperbest humeur. Maar nu hoorde Sjoerd een gesmoorde vloek. “Wat is er Sip?’ vroeg hij geschrokken,’ is je viool kapot?’ ‘Nee jong,’ zei Sip, ‘het is het geld.’ Sip hurkte op het ijs en nu zag Sjoerd het ook: een gulden was uit de broekzak gegleden, op het ijs gevallen en direct vastgevroren. Een kostbare gulden al gereserveerd om de dokter te laten kijken naar Sips hoestende zusje. Angst en paniek streden in hem, maar denken ging moeizaam, zo veel graden onder nul. ‘Wat moet ik nu?’ bibberde hij. ‘het ding zit vast en hier wachten kunnen we ook niet.’ ‘Ik weet wat,’ zei de nuchtere Sjoerd rustig, ‘we gaan hem losplassen.’ ‘Hè?’ Sip begreep het niet. ‘Ja, plassen, zeiken, plas is warm toch..’ ‘Nou hier,’sputterde Sip, ‘als ik hem nu uit de broek haal dan bevriest hij toch jong, hoe gaat die dan ooit weer ontdooien?’ ‘Ik hou hem vast,’ Sjoerd lachte breed met de drie tanden die hij nog had. ‘Dat kun je niet menen,’ beefde Sip. ‘Hoe wil je het anders?’ ‘Als de dominee dit ziet dan gaat hij naar ons hait en die gaat me slaan..’ ‘We doen het snel.’ En zo gebeurde het. Sip hurkte en plaste over de munt die wat losser kwam te zitten en door Sjoerd snel losgewrikt kon worden. Een mooi verhaal natuurlijk en de violist zou een verre voorvoorvoorvoorvader van me zijn. Ik weet het niet, het zou kunnen. Ik ben eens in het Behouden Huys geweest, dat is het museum over de geschiedenis van Terschelling en ik sprak daar met een medewerker die me kon bevestigen dat de viool en de violist inderdaad hebben bestaan en dat het museum in bezit is van het instrument van Cupido. Cupido, de god van de liefde, de god van het romantische snarenspel.

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 222 keer bekeken

  • Meer blogs >>